In artikel I onderdeel A worden griffierechten verhoogd, zo lezen de leden
van de PvdD-fractie. Dat onderdeel is bij amendement vastgesteld. Het amendement is als volgt toegelicht:
“Op dit moment is er een grote voorraad aan in te plannen bouwzaken. De doorlooptijd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State is een groot probleem. Dit zorgt ervoor dat vertraging bij bouwprojecten aan de orde van de dag is, terwijl snelle procedures noodzakelijk
zijn om de woningnood te bestrijden. Het verhogen van de griffiekosten kan ervoor zorgen dat mensen die onterecht bezwaar en beroep aantekenen een eerlijkere bijdrage aan het rechtssysteem moeten voldoen. Bovendien legt een verhoging een extra belemmering op om te gaan procederen tegen een bouwplan wanneer een belanghebbende bij voorbaat verwacht geen kans te maken voor de rechter.”
De leden van de PvdD-fractie hebben hierover de volgende vragen:
1. Zien deze leden het goed dat de verhoging van het griffierecht betrekking heeft op het beroep bij de rechtbank en dat het griffierecht
voor hoger beroep niet verhoogd wordt? Zo ja, hoe kan dan de doorlooptijd in hoger beroep een motivering opleveren voor het amendement?
2. Kan de regering uitleggen wat de logica is dat het griffierecht voor beroep bij de rechtbank hoger zou moeten zijn dan het griffierecht in hoger beroep?
3. Kan de regering uitleggen welke impact kan worden verwacht van de verhoging van het griffierecht voor beroep op de rechtbank, terwijl uit het voorgestelde artikel 16.87a van de Omgevingswet volgt dat beroep bij de rechtbank niet meer mogelijk zal zijn? In de toelichting van het amendement wordt gesproken over «mensen die onterecht bezwaar en beroep aantekenen» en van gevallen waarin «een belanghebbende bij voorbaat verwacht geen kans te maken voor de rechter». Daarbij wordt gedoeld op personen die in beroep gaan alleen maar om de zaak te traineren.
4. De leden van de PvdD-fractie menen dat de rechter in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bevoegdheid heeft gekregen om zulke evident ongegronde beroepen terstond – buiten behandeling op een zitting – af te doen. Onderschrijft de regering dit?
5. Zijn er gegevens bekend over de toepassing van die bevoegdheid waaruit kan worden afgeleid dat het zo vaak voorkomt dat «mensen
onterecht bezwaar en beroep aantekenen» in gevallen waarin «een belanghebbende bij voorbaat verwacht geen kans te maken voor de rechter» dat daarin een grond zou kunnen worden gevonden om het griffierecht te verhogen om daarmee een drempel voor zulke mensen
op te werpen?
Blijkens de formulering van de voorgestelde wijziging van artikel 8:41 Awb heeft de verhoging van het griffierecht betrekking op «beroep tegen een
besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning». Dat veronderstelt dat tegen de beslissing op de aanvraag beroep wordt ingesteld bij de rechter.
6. In welke gevallen kan bij de rechtbank rechtstreeks beroep worden ingesteld tegen een besluit op de aanvraag? De Awb gaat er toch vanuit dat beroep wordt ingesteld tegen de beslissing op bezwaar? Welk griffierecht geldt dan voor beroepen tegen de beslissing op bezwaar?
7. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor een verbouwing van een bestaande woning, zal er ook een besluit volgen
op een «aanvraag om een omgevingsvergunning». Geldt het verhoogde griffierecht ook voor beroep tegen een verbouwing van een bestaande woning? Zo nee, waar is dan het griffierecht geregeld voor beroep tegen een beslissing op een aanvraag die betrekking heeft op een verbouwing van een bestaande woning?
8. De voorgestelde wijziging van artikel 8:41 Awb heeft betrekking op een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Die beslissing kan ook een weigering inhouden. Kan de regering uitleggen waarom het redelijk is het griffierecht te verhogen voor het beroep van een particulier die een woning wil bouwen, maar geconfronteerd is met een afwijzing van zijn bouwplan?
De Raad voor de rechtspraak heeft in zijn brief aan de Minister van 23 juni 2025 ernstige bedenkingen naar voren gebracht tegen het amendement
dat heeft geleid tot wijziging van het voorgestelde artikel 16.87a met als gevolg dat voor alle woningbouwprojecten waarbij een woning wordt gerealiseerd geldt dat uitsluitend beroep openstaat op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9. Als dit amendement meebrengt dat voor iedere beslissing over een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een woning geldt dat uitsluitend beroep openstaat op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, acht de regering dat amendement dan uitvoerbaar?
10. Is de regering bereid om – als het antwoord op de voorgaande vraag ontkennend is – een novelle in te dienen die strekt tot intrekking of wijziging van het voorgestelde vijfde lid van artikel 16.87a?
Artikel I, onderdeel B strekt ertoe om met betrekking tot besluiten die worden aangewezen op grond van artikel 16.87a het beroep in eerste
aanleg op de rechtbank te laten vervallen en rechtstreeks beroep te openen op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11. Onderschrijft de regering de constatering in de genoemde brief van de Raad voor de rechtspraak dat bij de rechtbanken ongeveer 250
rechters en juristen belast zijn met de afdoening van omgevingszaken? Zo ja, acht de regering het dan verantwoord om de behandeling van bouwgeschillen bij de rechtbanken weg te halen en te concentreren bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarvan vaststaat dat deze onderbemand is?
12. Is overwogen om – als een geding in één instantie noodzakelijk wordt geoordeeld – te kiezen voor een of twee rechtbanken (bijvoorbeeld één in Noord- en één in Zuid-Nederland), die dan voor bouwgeschillen als bijzondere rechtbank optreden (net zoals de Rechtbank Rotterdam voor financieel-economische geschillen)? Kan de regering daarop reflecteren?
13. Kan de regering op alle kritiekpunten over de amendementen met de nummers 24, 25 en 26 ingaan die in de brief van de Raad voor
de rechtspraak zijn vervat?
