De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben de volgende vragen over het Programma Maatwerk PAS-melders. In hun vragen verwijzen zij ook naar de antwoorden op hun vragen over het concept die de minister op 9 juli jl. aan de Kamer heeft gezonden. Zij verzoeken de vragen afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 1
Kan de minister bevestigen dat hij verplicht is op grond van artikel 22.21, tweede lid Omgevingswet om een programma vast te stellen dat erin voorziet dat aan een PAS-melder die een vergunning nodig heeft om zijn bedrijfsvoering te legaliseren en die deze aanvraagt, de gevraagde vergunning zal worden verleend?
Zo nee, op welke gronden komt de minister tot dat oordeel, nu hij heeft erkend dat met het amendement Flach het aanvankelijke voorstel om ‘legalisering’ en ‘legaliseren’ te vervangen door maatwerkaanpak “is teruggedraaid” (citaat van de minister).
Vraag 2
Zo ja, kan de minister dan bevestigen dat als zo’n PAS-melder na bekendmaking van het Programma Maatwerk PAS-melders een vergunning voor het legaliseren van zijn exploitatie aanvraagt, op die vergunningaanvraag binnen de in de Omgevingswet vastgelegde termijnen dient te worden beslist?
Vraag 3
Kan de minister bevestigen dat de wettelijke beslistermijn niet opzijgezet kan worden door het Programma Maatwerk PAS-melders, voor zover daarin vermeld wordt dat 31 december 2030 geldt als uiterste termijn van legalisering?
Vraag 4
Kan de minister bevestigen dat de wettelijke beslistermijn ingevolge de Omgevingswet niet wordt opzijgezet door het bepaalde in artikel 22,21, vierde lid Omgevingswet, nu daaruit slechts volgt dat de in het programma opgenomen maatregelen uiterlijk 1 maart 2028 dienen te zijn uitgevoerd.
Vraag 5
Als de in vraag 2 bedoelde aanvraag op 1 oktober 2026 wordt ingediend en aan de ontvankelijkheidsvereisten is voldaan, op welke datum dient dan op de aanvraag te zijn beslist?
Vraag 6
U schrijft dat “PAS-melders die aangeven dat zij op stikstofruimte van de overheid willen wachten, op een moment bericht zullen krijgen of die ruimte ook daadwerkelijk binnen de termijn beschikbaar komt”.
Als een PAS-melder aangeeft niet te willen wachten en verlangt dat binnen de wettelijke beslistermijn zijn aanvraag wordt gehonoreerd nu artikel 22.21, tweede lid, Omgevingswet op de overheid de verplichting legt om maatregelen te nemen die voorzien in het legaliseren van zijn exploitatie, hoe dient dan met inachtneming van artikel 22.21 Omgevingswet op de aanvraag te worden beslist?
Vraag 7
Erkent de minister dat als de aanvraag zou worden afgewezen omdat niet voldoende stikstofruimte beschikbaar is, in strijd wordt gehandeld met artikel 22.21 Omgevingswet?
Zo nee, op grond van welke juridische redenering komt u tot dat oordeel?
Vraag 8
U schrijft: “Wanneer additionaliteit niet kan worden aangetoond en daarmee geen juridisch houdbare vergunning kan worden verleend, moet er worden gezocht naar een alternatieve oplossing”.
Wat zal er met in achtneming van artikel 22.21 Omgevingswet moeten worden beslist, als de aanvrager aangeeft niet bereid te zijn om naar een alternatieve oplossing te zoeken?
Vraag 9
Erkent de minister dat er wettelijk geen bevoegdheid van de overheid is om de beslissing op de aanvraag aan te houden om te wachten op beschikbare depositieruimte?
Vraag 10
U schrijft dat vanuit het Rijk provincies worden gesubsidieerd om maatregelen te treffen, zoals het vrijmaken van depositieruimte, om PAS-melders te legaliseren.
Kunt u een opsomming geven van de maatregelen die kunnen worden getroffen om depositieruimte vrij te maken?
Vraag 11
Behoort tot de in de vorige vraag bedoelde maatregelen ook het intrekken van vergunningen of (mest)rechten van piekbelasters? Zo nee, waarom niet?
Vraag 12
Zo ja, over welke bevoegdheden beschikt de regering of de minister om te bereiken dat van piekbelasters vergunningen of (mest)rechten worden ingetrokken? Bent u bereid om zulke bevoegdheden te hanteren of de regering dat te verzoeken.?
Vraag 13
Als een advocaat van een PAS-melder die een vergunning nodig heeft en heeft aangevraagd, stelt dat artikel 22.21 Omgevingswet de overheid verplicht om als dat nodig is voor het kunnen inwilligen van aanvragen van PAS-melders die gericht zijn op legalisering, maatregelen te nemen die leiden tot het vrijmaken van depositie-ruimte, onderschrijft u dan die stelling? Zo nee, op grond van welke juridische redenering komt u tot dat oordeel?

