31 936 CI
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat artikel 8 EVRM ruimte laat voor een afweging waarin gewicht wordt toegekend
aan enerzijds de belangen van omwonenden bij bescherming tegen ernstige hinder en
slaapverstoring en anderzijds de publieke en economische belangen die met de exploitatie,
bereikbaarheid en netwerkkwaliteit van Schiphol zijn gemoeid;
overwegende dat de minister erkent dat die afweging dient te getuigen van een ”fair balance”, dat
een “ondergrens” geldt “dat uiteindelijk iedereen aanspraak houdt op een aanvaardbaar woon- en
leefklimaat” en dat “alleen binnen deze ondergrens ruimte is voor een afweging over de verdeling
van de geluidsbelasting”;
overwegende dat uitvoering van het voorliggende LVB volgens gegevens van de minister kan leiden
tot 30.800 ernstig slaapgestoorden en meer dan 100.000 ernstig gehinderden;
overwegende dat bij inachtneming van de door de minister bedoelde ”ondergrens” het
onaanvaardbaar moet worden geoordeeld dat zoveel omwonenden ernstige hinder en
slaapverstoring zullen ondervinden omdat voorrang wordt gegeven aan de publieke en
economische belangen die met de exploitatie, bereikbaarheid en netwerkkwaliteit van Schiphol zijn
gemoeid;
overwegende dat de regering het in haar macht heeft om zulke hinder te voorkomen door
maatregelen te treffen die zien op onder meer vluchtvermindering, een nachtvluchtregeling en een
versneld isolatieprogramma;
verzoekt de regering door aanpassing van het LVB en versnelling van het isolatieprogramma het
aantal te verwachten slaapgestoorden en ernstig gehinderden substantieel te verminderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Nicolaï
Van Aelst-den Uijl
